Sinds het aantreden van het minderheidskabinet-Jetten zijn de stemmen van de parlementaire oppositie in de Tweede Kamer van doorslaggevende betekenis. Dat biedt de oppositie vanzelfsprekend kansen: in ruil voor de benodigde Kamersteun kan zij meer invloed uitoefenen dan bij een kabinet met een vaste meerderheid. Tegelijkertijd is de parlementaire oppositie sterk versnipperd en verdeeld.
Besturen of bestrijden?
Zowel voor de linkse als de rechtse oppositie zijn er aanknopingspunten om samen te werken met het kabinet-Jetten, gezien de relatief centrale ideologische positie van de regeringspartijen. Nederland kent bovendien een lange traditie van bereidwilligheid onder politieke elites om samen te werken.
Sterker nog, oppositiefracties wijzen doorgaans relatief weinig regeringsvoorstellen af. In de afgelopen decennia stemde gemiddeld slechts een vijfde tot een kwart van de oppositiekamerleden tegen wetgeving van de regering. Ook uit vraaggesprekken met Kamerleden blijkt dat maar weinig Kamerleden vinden dat het de taak van de oppositie is om een kabinet zo snel mogelijk ten val te brengen.
Toch bestaan er verschillen in opvattingen over de manier waarop oppositie moet worden gevoerd. Dat werd bijvoorbeeld zichtbaar tijdens een debat tussen Geert Wilders (PVV) en Joost Eerdmans (JA21) bij de Algemene Politieke Beschouwingen. Wilders waarschuwde Eerdmans om niet per dossier met het kabinet te onderhandelen: “Dan krijgt u op onderdelen gelijk, maar op iets anders houdt u een kabinet in stand dat ook precies doet wat uw kiezer niet wil.”
De PVV kiest er liever voor zich tegen de regering te verzetten dan via compromissen eigen beleidsdoelen te verwezenlijken. De partij stemde in de Eerste Kamer zelfs tegen haar eigen asielwetten. Eerdmans verdedigt juist de tegenovergestelde benadering. Zijn partij richt zich op wat er binnen de bestaande verhoudingen te verbeteren valt: “wij zijn in de wedstrijd om te halen wat we kunnen”.
De ene oppositie is de andere niet
Dit illustreert dat er naast de links-rechts breuklijn een tweede breuklijn binnen de oppositie bestaat: die tussen een bestuurlijk georiënteerde oppositie, die wil laten zien dat zij resultaten kan boeken, en een kritische of obstructieve oppositie, die juist wil benadrukken dat zij geen onderdeel van het bestuur is.
Uit onderzoek van Tom Louwerse en mijzelf blijkt dat oppositiepartijen die eerder regeringsverantwoordelijkheid hebben gedragen, zoals CDA, VVD en PvdA, zich de afgelopen decennia steeds vaker achter kabinetsvoorstellen scharen. Oppositiepartijen die structureel buiten de regering staan, zoals FVD en de SP, en voorheen de PVV, keren zich juist steeds sterker tegen het regeringsbeleid.
Bij een minderheidskabinet maken oppositiepartijen met die laatste strategie zich echter minder relevant. Dit spanningsveld leidde tot de grootste afsplitsing in de parlementaire geschiedenis, die van de Groep Markuszower. De BBB probeert op onbegrijpelijke wijze beide oppositiestijlen te combineren door een motie van wantrouwen tegen het kabinet te steunen, maar er nog steeds zaken mee te willen doen.
Voor het kabinet zijn daarom vooral PRO en JA21 belangrijke gesprekspartners. Met PRO heeft het kabinet een Tweede Kamermeerderheid, terwijl het met JA21 nog slechts één zetel nodig heeft. PRO heeft bovendien een extra troef dankzij haar grote aantal zetels in de Eerste Kamer. Deze partijen kunnen via incidentele steun en eigen voorstellen het kabinetsbeleid veranderen.
Hetzelfde geldt voor de kleinere oppositiepartijen. Juist omdat het kabinet geen vaste meerderheid heeft, kunnen enkele Kamerleden bij specifieke stemmingen doorslaggevend zijn. Met steun van de ChristenUnie, de SGP en 50PLUS komt het kabinet bijvoorbeeld al dicht bij een meerderheid.
De risico’s van samenwerking
Samenwerking met de regering brengt echter ook risico’s met zich mee. Oppositiepartijen hebben in zekere mate een informatieachterstand en moeten daarom alert zijn op opportunistisch gedrag van ministers. Een voorbeeld is minister Sjoerdsma, die van de PVV, JA21 en 50PLUS steun kreeg voor zijn begroting van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking waarin de steun aan VN-hulporganisatie voor Palestijnse vluchtelingen UNRWA werd afgebouwd, om vervolgens alsnog steun voor UNRWA te regelen. Voor een kabinet dat het vertrouwen van de oppositie wil winnen, was dat een weinig overtuigende start.
Daarnaast zijn er electorale risico’s. Constructieve samenwerking tussen regering en oppositie kan ten koste gaan van de klassieke functies van de oppositie: de regering kritisch controleren en voor kiezers herkenbare alternatieven formuleren.
Als nieuwe fusiepartij moet PRO nog een duidelijk onderscheidend profiel opbouwen. Tegelijkertijd draagt de partij het trauma mee van de electorale afstraffing die volgde op de VVD-PvdA-samenwerking in het kabinet-Rutte II. JA21 wil zich juist van andere rechtse partijen onderscheiden door concrete resultaten te boeken, maar heeft inmiddels te maken met stevige concurrentie op rechts, onder meer van PVV, FVD, BBB, de Groep Markuszower en Mona Keijzer.
Voor beide partijen draait de vraag daarom niet alleen om hoeveel invloed zij kunnen verwerven, maar ook om hoe zichtbaar hun eigen politieke profiel blijft wanneer die invloed via compromissen wordt uitgeoefend. Dat maakt de verhouding tussen constructieve en kritische oppositie tot een delicate balanceeract. Als de concessies van het kabinet te beperkt zijn, kan samenwerking alsnog onaantrekkelijk worden.
Waarom samenwerking moeizaam van de grond komt
Het kabinet-Jetten heeft voor samenwerking ook nog eens beperkte ruimte gecreëerd. De kabinetten-Rutte slaagden er nog in om steun van de oppositie te verwerven door vroeg in het beleidsproces onderhandelingen aan te gaan en deelakkoorden te sluiten met oppositiefracties.
Het kabinet-Jetten lijkt echte onderhandelingen met de oppositie juist eindeloos uit te stellen. Het ontstond doordat wederzijdse blokkades tijdens de formatie het onmogelijk maakten een meerderheidscoalitie te vormen. Dat maakt samenwerking met PRO en JA21 politiek gevoelig: die wordt onvermijdelijk bezien tegen de achtergrond van de formatie.
Bovendien hebben de coalitiepartijen hun onderhandelingsvrijheid behoorlijk ingeperkt door een gedetailleerd regeerakkoord op te stellen. Daarmee is de ruimte voor het creëren van wisselende meerderheden aanzienlijk verkleind.
Opvallend genoeg handelen oppositiefracties ook deels vanuit de logica van een vaste meerderheidscoalitie. Zij vragen het kabinet om een totaaldeal en een structurele keuze voor links of rechts. Dat is des te opmerkelijker omdat meer dualisme en het werken met wisselende meerderheden juist terugkerende idealen zijn in discussies over de Nederlandse parlementaire democratie.
Dreigt een impasse?
Tegelijkertijd slagen de linkse en rechtse oppositiefracties er niet in zich effectief tegen het kabinet te verenigen. Met steun van de rechtse oppositie kan de coalitie voorstellen voor alternatief beleid van de linkse oppositie wegstemmen, en andersom. Zo voorkwamen de Groep Markuszower en de SGP dat de oppositie bij het aantreden van het kabinet-Jetten de AOW-bezuinigingen kon tegenhouden. Bovendien lijken de meeste oppositiepartijen weinig belang te hebben bij een kabinetsval en vervroegde verkiezingen.
Zowel het kabinet als partijen in de oppositie lijken nog zoekende in de nieuwe parlementaire verhoudingen. Dat is des te opmerkelijker omdat de meeste hoofdrolspelers hebben ervaren hoe eerdere kabinetten succesvol met de oppositie samenwerkten. Als zij een kabinetsval willen voorkomen doen zij er goed aan lessen te trekken uit die recente episode uit onze parlementaire geschiedenis.
Rick van Well is wetenschappelijk medewerker van het DNPP, het nationale kenniscentrum over politieke partijen, onderdeel van de Rijksuniversiteit Groningen.