Overslaan en naar de inhoud gaan

Wat wil Wilders eigenlijk?

, column van Jan Schinkelshoek en Prof.Dr. Gerrit Voerman

Hoe gaat het met de Nederlandse politieke partijen? Vanaf de start van het kabinet onder aanvoering van Rob Jetten gaan Jan Schinkelshoek en Gerrit Voerman stap voor stap de partijen langs. Aan de beurt is de Partij voor de Vrijheid, beter: Wilders. Al twintig jaar draait het om hem. 

PVV onder vergrootglas

Wat wil Wilders? Wat wil hij bereiken? Wil hij dingen echt veranderen? Of zit hij vast in een zelfgesponnen cocon? 
Wilders’ partij, de Partij voor de Vrijheid, draait twintig jaar mee in de Tweede Kamer. Zelf is hij het langstzittende Kamerlid. Over het geheel genomen koos Wilders voor een harde, onverzoenlijke en zelfs steriele oppositie. Ondanks of misschien wel dankzij die strategie boekte de PVV ettelijke keren electorale successen, drie jaar geleden werd ze met maar liefst 37 zetels zelfs de grootste partij. Maar die kansen zijn niet verzilverd. Tot twee keer toe kreeg de PVV de gelegenheid om op regeringsniveau mee te doen, maar evenzoveel keer heeft de partij kansen uit de handen laten vallen, beter gezegd: de eigen glazen ingegooid. 
Wat wil Wilders eigenlijk? 

De Partij voor de Vrijheid is een eenmansbedrijf, de politieke onderneming van Geert Wilders. Na zijn vertrek uit de VVD richtte hij de partij in 2006 op – als een partij zonder leden. Al die twintig jaar is Wilders, het enige lid, de dominante, bepalende factor: fractievoorzitter, partijvoorzitter, partijleider. Van tijd tot tijd krijgt hij te maken met interne rebellie: van Hero Brinkman (2012) tot Gidi Markuszower (2026), met daar tussenin een inmiddels lange reeks aan afscheidingen. Maar die blijken tot nu toe niet meer dan rimpelingen in de vijver. De meest serieuze afsplitsing, het vertrek van Markuszower en zes andere PVV-fractieleden (begin 2026), heeft Wilders ogenschijnlijk van zich laten afglijden als water van een eend. 

Die eenmanspartij is uit nood geboren. Van dichtbij heeft Wilders gezien hoe binnen de LPF de partijgenoten van Pim Fortuyn, ook voor hem een inspiratiebron, rollebollend over straat gingen. Om zo’n ‘chaos’ te voorkomen, heeft hij bij de oprichting van de PVV doelbewust gekozen voor een strak geregisseerde beweging – zonder problemen makende leden! – rondom zijn eigen persoon.  

Het paste bij Wilders. Al in zijn jongelingsjaren bij de VVD – hij begon als medewerker van fractievoorzitter Frits Bolkestein in de jaren ’90 – gold hij als een solist, iemand die bij voorkeur op eigen houtje opereerde. In dat isolement heeft hij zich, ook inhoudelijk, meer en meer teruggetrokken. In de loop der jaren radicaliserend, bouwde hij aan een ideeëngoed dat steeds meer anti-islamitische, nationalistische en populistische trekken kreeg. Van de liberaal die hij ooit moet zijn geweest, is momenteel weinig meer zichtbaar. Vanaf het moment dat Wilders voor zichzelf in de Kamer zat, bracht hij zijn verhaal compromisloos: snoeihard, vlijmscherp en minstens zozeer op de persoon als op de bal gericht. Ook die politieke stijl vergrootte zijn isolement. Herhaaldelijk zijn er vanuit de Kamer (PvdA) pogingen ondernomen de PVV te boycotten. 

Het was ook een zelfgekozen isolement. De PVV-fractie heeft binnen het Kamergebouw iets van een ondoordringbare burcht. Dat heeft ook te maken met Wilders’ veiligheid: hij wordt permanent bewaakt. Ook zijn fractiegenoten gedragen zich, de een natuurlijk iets meer dan de ander, bijna mensenschuw. Voor buitenstaanders (lobbyisten!) moeilijk toegankelijk, voor journalisten praktisch onbenaderbaar. Bij menig Kamerdebat laat de fractie het afweten. Het vergroot de politieke onvoorspelbaarheid, zelfs raadselachtigheid. 

Door die afzondering zit de PVV regelmatig zichzelf in de weg. Tot twee keer toe kreeg Wilders de gelegenheid om op regeringsniveau invloed uit te oefenen. In 2010 gedoogde de partij het eerste kabinet onder aanvoering van Mark Rutte, het kabinet waarbij ‘rechts de vingers kon aflikken’. In 2023 werd de partij leidend bij de vorming van het extraparlementaire kabinet onder leiding van Dick Schoof en leverde vijf ministers en vier staatssecretarissen. Beide keren heeft Wilders er voortijdig de stekker uitgetrokken. Kennelijk schrok hij terug voor de verantwoordelijkheid, kennelijk kon hij de onvermijdelijke compromissen niet voor z’n rekening nemen. Alsof hij dat als verraad aan zichzelf beschouwde. 

Dat is meer dan Wilders’ grilligheid of onvoorspelbaarheid. Het heeft ook te maken met het dubbele karakter van de PVV: cultureel rechts, sociaal links. Op het eerste gezicht is de partij radicaal-rechts. Al in 2006 pleitte de PVV in het verkiezingsprogramma voor ‘vrijwillige remigratie’. De islamkritiek is steeds rabiater geworden. Wat begon met de roep om de sluiting van moskeeën en een verbod van de Koran, kreeg, ook door het woordgebruik, een beledigend, grievend en kwetsend karakter: ‘kopvoddentax’. De toonzetting was van meet af aan populistisch, doorspekt metuithalen naar het establishment dat ‘Henk en Ingrid’ dwars zat. Maar ook die toon is scherp geworden, uitlopend op kritiek op het ‘nepparlement’ en ‘D66-rechters’ die geen oog hebben voor wat het volk wil. Die opstelling balanceert vervaarlijk op de rand van het antirechtsstatelijke. Wilders laat zich ook graag zien op plekken waar tegen azc’s wordt gedemonstreerd, maar gaat niet zo ver dat hij oproept tot geweld. Wellicht is hij na zijn veroordeling wegens zijn uitspraken over ‘minder Marokkanen’ behoedzamer geworden. 

Die harde rechtse opstelling combineert de PVV met een linksig populisme à la de SP. Het verkiezingsprogramma bepleit terugkeer naar een AOW-leeftijd van 65 jaar, afschaffing van de eigen bijdrage aan de zorgkosten, lagere btw voor dagelijkse boodschappen en verlaging van de energiekosten. Dat onderscheidt de partij van concurrerende partijen op de uiterste rechterflank zoals JA21 en Forum voor Democratie. 

Die twee kanten van de PVV – sociaal-cultureel rechts, sociaal-economisch links – gelden als de winnende formule voor het populisme. Maar het werkt ook als een keurslijf. Het maakt het, zeker voor zo’n uitgesproken partij, moeilijk om compromissen te sluiten. 

Na het vertrek van de Bende van Markuszower is het rond Wilders in de Tweede Kamer stil geworden. Vanaf januari 2026 heeft hij bewust voor de luwte gekozen.  Vermoedelijk ook om op adem te komen. Na zo veel jaar krijgt Wilders vermoeide, zelfs uitgebluste trekken. Alsof hij aan zijn scherpte inboet. Bij de debatten na de Troonrede, de Algemene Politieke Beschouwingen, viel Wilders’ positie in de marge op. Ook omdat hij na alle avonturen met ‘Schoof’ voor niemand, ook op rechts niet, een relevante factor is. En zijn parlementaire optreden was zo ongepolijst, je kunt ook zeggen: bot, dat hij zich buitenspel plaatste.  

Het is lastiger voor Wilders geworden. Hij is het alleenvertoningsrecht op rechts kwijtgeraakt. Hij moet zich een nieuwe, eigenstandige positie verwerven binnen het sterk gegroeide rechtse krachtenveld in de Kamer, uiteenlopend van Joost Eerdmans tot Mona Keijzer. 

Maar onderschat de ‘tovenaarsleerling’ (aldus zijn biograaf Fennema) niet. Net als bij voorgaande crises wacht Wilders, comeback kid bij uitstek, op betere tijden, op een goed moment om terug te komen. Dát is wat Wilders wil. Het parlement is zijn natuurlijke biotoop, hij is er als een vis in het water, zijn platform om dat wat hij als zijn missie ziet uit te dragen.  
Die plek in de Tweede Kamer opgeven, zal het laatste zijn wat Wilders wil. 

Den Haag/Groningen, 
september 2026 

Jan Schinkelshoek, oud-lid van de Tweede Kamer (CDA), was hoofdredacteur van de Haagsche Courant en campagneleider van Ruud Lubbers in de jaren ’80. Gerrit Voerman, emeritus hoogleraar Nederlandse politiek aan de Rijksuniversiteit Groningen, was directeur van het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen. Samen zijn zij een tour langs alle politieke partijen begonnen. Maandelijks doen ze verslag in De Hofvijver. 


Zie voor meer informatie: