Politiek op het scherm. Televisie en het denken over democratie in naoorlogs Nederland

, column van Solange Ploeg

Dagelijkse opiniepeilingen, straatinterviews met voorbijgangers en politici die met bekende en onbekende Nederlanders in gesprek gaan aan talkshowtafels: het maakt allemaal deel uit van de hedendaagse politieke cultuur. Maar hoe zijn deze mediapraktijken ontstaan? En hoe hebben media en het denken over democratie elkaar in het verleden beïnvloed?

Historisch onderzoek naar democratie toont dat het democratieconcept door de tijd heen anders werd ingevuld. Afhankelijk van tijd en context en van hoe historische actoren democratie beleven, beoefenen en beschermen, krijgt het concept voortdurend andere invullingen. Over het algemeen onderscheiden historici twee opvattingen van democratie die elkaar afwisselen in de periode na de Tweede Wereldoorlog. In de jaren veertig en vijftig is dat een gedisciplineerde democratieopvatting, waarin parlementaire vertegenwoordiging en beperkte inspraak van burgers (buiten verkiezingsdag om) centraal stond. En vanaf de late jaren zestig: een participatieve democratieopvatting, waarin burgerparticipatie in de politiek, en openbaarheid en responsiviteit van politici het credo was.

Wat voor verwachtingen politici, maar ook activisten en bijvoorbeeld filosofen hadden van de democratie, daar is veel historisch onderzoek naar gedaan. Maar hoe zat het met de ‘gewone’ burgers, thuis op de bank? Wat was hun beleving van de democratie en hoe veranderde dit door de tijd heen, in een periode van toenemende massamedia?

Het mediadieet van de televisiekijkende Nederlander in aanloop naar de Tweede Kamerverkiezingen van 1959 was aan de magere kant. In de beperkte uren dat er uitgezonden werd, stond verantwoord vermaak en informatievoorziening voorop. Ook was de binding tussen de ‘verzuilde’ omroepen en een bepaalde partij en achterban nog groot. Journalisten bejegenden politici met veel eerbied. Het beeld wat de kiezers thuis kregen, was dat in een democratie politiek werd bedreven door volksvertegenwoordigers in het parlement. En dat de burgers zelf alleen op verkiezingsdag hun stem mochten laten horen.

Fast forward naar de verkiezingsperiode van 1977: de burger laaft zich inmiddels aan een overdaad aan politieke gerechten. Vurige televisiedebatten en kritische discussieprogramma’s, actualiteitenrubrieken met opinieonderzoeken en zelfs politieke spelshows. Het beeld wat de kiezers thuis kregen, was dat in een democratie politici uitgedaagd konden worden door journalisten én door kiezers zelf, dat burgers een politieke mening hadden, die kon veranderen - en dat de camera overal bij mocht zijn.

Nieuwe media gaan vaak gepaard met een verandering in het denken over democratie. Boekdrukkunst, radio, televisie, sociale media – ze dragen de belofte met zich mee dat zij informatie beschikbaar maken voor een groter aantal mensen dan tot op dat moment mogelijk was. Daarnaast bieden ze de mogelijkheid voor niet eerder gehoorde stemmen om zich te laten horen. Hun opkomst zorgt vaak voor een zeker optimisme over een verruiming van de publieke sfeer, een democratisering van informatie. Zo verkeerde de Nederlandse pers in de jaren vijftig in jubelstemming over Britse televisieprogramma’s waarin politici met elkaar in discussie gingen: men geloofde dat dit soort programma’s kon leiden tot een beter geïnformeerd en geïnteresseerd electoraat.

Maar evengoed bestond telkens weer de vrees dat nieuwe media de democratie in gevaar brachten, omdat de inhoud van de informatie en de kaders van de discussie beperkt gereguleerd en gecontroleerd kunnen worden. Via de radio en later de televisie zou de politiek plots op wel heel indringende wijze in de levens van mensen doordringen. Met het instellen van de eerste Zendtijd Politieke Partijen op televisie aan het einde van de jaren vijftig maakte de NTS zich zorgen dat audiovisuele politieke propaganda niet ‘in vruchtbare ondergrond’ zou vallen bij de gewone mensen. Het volk moest eerst opgevoed worden, moest begrijpen wat democratie inhield, wat hun burgerplichten waren; alleen dan kon het nodige begrip ontstaan voor de soms lastige beslissingen die bestuurders moesten nemen.

Eind jaren zestig keerde het tij. Partijen werden in deze periode geconfronteerd met verschillende uitdagingen: een ‘zwevend’ electoraat, nieuwe partijen die kiezers wegkaapten, een nieuwe politieke cultuur. En mediamakers moeten zich verhouden tot veranderingen in het omroeplandschap en de toegenomen onderlinge concurrentie. Beiden bezonnen zich op hun taak in de democratie én hun houding ten opzichte van politieke tv.

In aanloop naar de verkiezingen van 1967 organiseerde de NTS het zogenaamde ‘Schakeldebat’, waarin politici niet alleen met elkaar en met journalisten in discussie gingen, maar waarin ook burgers aanwezig in de zaal, vragen mochten stellen. Bij de KRO deed intussen Brandpunt-hoofdredacteur Richard Schoonhoven zijn best om een studiopubliek te integreren in de uitzendingen van de actualiteitenrubriek. Idealiter zouden deze burgers de politici, die te gast waren, live het vuur aan de schenen leggen. Maar een groep kritische jongeren in 1972 een verkiezingsuitzending volledig overnam en de drie politici die te gast waren het spreken onmogelijk maakte, was de ‘democratie op het scherm’ volgens de programmamakers weer te ver doorgeschoten.

Ook andere omroepen experimenteerden met het in de praktijk brengen van hun participatieve democratieopvatting. Bij de VPRO mocht het studiopubliek haar mening geven over de toespraak van een politicus door middel van een stemkastje. En bij de NCRV moesten politici reageren op de resultaten van een opinieonderzoek en werden zij ondervraagd door een panel ‘twijfelende’ kiezers. De VARA achtte de aanwezigheid van politici überhaupt niet nodig: in De tuin der lasten (1971) gingen 250 burgers een weekendlang voor het oog van de camera met elkaar in debat over de rijksbegroting voor 1975. De pers juichte toe dat de omroep met dit programma zonder politici, zonder deskundige toespraken, zonder propaganda, de politiek dichter bij de mensen probeerde te brengen. 

In loop van de naoorlogse periode kregen burgers steeds vaker een actieve rol toebedeeld als commentatoren, ondervragers en discussiepartners in de media. Televisieprogramma’s maakten het mogelijk voor burgers om te participeren in de democratische samenleving en om zich te verhouden tot de meningen van hun medeburgers. Omroepen en partijen gingen rekening houden met de voorkeuren van het publiek. Zo ontstonden nieuwe arena’s waarin de democratie werd bedreven en vormgegeven.

Het begrijpen van de burger als consument van en participant in de media in het verleden is van groot belang, wanneer we bedenken hoezeer burgers vandaag de dag afhankelijk zijn van (sociale) media bij het verkrijgen van informatie over de politiek. Afgelopen verkiezingsperiode brachten verschillende dag- en weekbladen al in kaart wie aan het woord kwam op televisie. Zo reconstrueerden ook zij het mediadieet van de kiezers thuis: hoe beïnvloedden de keuzes van programmamakers de beeldvorming over de politiek? Het is van belang om deze wisselwerking tussen mediapraktijken en het denken over democratie kritisch te blijven beschouwen. Daarbij is een verantwoordelijkheid weggelegd voor burgers, politici én mediamakers als actoren in de constante onderhandeling, waar ons denken over democratie de uitkomst van is. 

Dr. Solange Ploeg werkt als universitair docent politieke geschiedenis aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Naast haar onderzoek naar media en democratie, houdt zij zich bezig met de geschiedenis van openbare orde en protest in naoorlogs Nederland.


Deze tekst is een variatie op het lekenpraatje uitgesproken door de auteur tijdens de verdediging van haar proefschrift ‘Burgers in beeld. Televisie, opiniepeilingen en het denken over democratie in naoorlogs Nederland’ op 4 november 2025.