Overslaan en naar de inhoud gaan

Een schim die hier zijn onzichtbaren invloed doet gevoelen

De Senaat en de kwestie van de eed in 1915

Ten tijde van het liberale kabinet-Cort van der Linden had de rechtse (christelijke) oppositie de meerderheid in de Eerste Kamer. Het kabinet moest daarmee rekening houden, zeker als het ging om politiek-gevoelige kwesties. Het vraagstuk van de eed was daarvan het beste voorbeeld. De christelijke partijen voelden er weinig voor dat getuigen zo maar konden weigeren om in een rechtbank de eed af te leggen en die te vervangen door een gelofte. Vanwege een uitspraak van de Hoge Raad in 1913 moest het kabinet echter wel met een oplossing komen.

In 1913 verbood de Hoge Raad namelijk dat onkerkelijken verplicht werden de eed af te leggen, maar eveneens dat zij verplicht waren de eed te vervangen door een belofte of verklaring. Minister Ort van Justitie moest daarom met een noodwetje komen.

Het door hem ingediende wetsvoorstel bepaalde dat lidmaten van een kerkelijk genootschap dat principiële bezwaren tegen de eed had (het ging dan vooral om de doopsgezinden) niet tot eedaflegging verplicht waren. Zij mochten ook een belofte of verklaring afleggen. Ook niet-kerkelijken mochten voor de belofte kiezen. De minister ging echter nog verder: ook andere gelovigen (lid van een kerkgenootschap) dan doopsgezinden konden gewetensbezwaren naar voren brengen tegen eedaflegging en om aflegging van de belofte verzoeken.

Dat laatste ging de christelijke partijen veel te ver. Zij kwamen met een amendement, ingediend door de katholiek Van Wijnbergen, om dat uit de wet te halen. Minister Ort stelde zich tot verrassing van de niet-christelijke partijen positief op tegenover dit amendement. Hij hield namelijk rekening met het te verwachten verzet in de Eerste Kamer.

Het VDB-Kamerlid Limburg zei daarover:

"Mijnheer de Voorzitter! Nu wil ik wel verklaren, dat na de rede van den geachten bewindsman die wij gisteren gehoord hebben, dat standpunt door niemand van ons meer wordt gedeeld. Een veel belangrijker vraag dan de vraag of men bij dit onvolledige en onvoldoende wetsontwerp dat men aanvaardt als een pis-aller, concessies kan doen aan den overkant, is door de rede van den  Minister van Justitie naar voren gebracht. Op twee plaatsen in het analytisch verslag straalt door dat indien men niet medegaat met de wenschen die door de overzijde omtrent dit wetsontwerp worden geuit, gevaar dreigt, dat het wetsontwerp zal stranden op de Eerste Kamer."

(...) "Wat kan die mogelijkheid, dat deze regeling niet tot stand komt anders beteekenen dan dat bij niet aanvaarden van de wenschen van de overzijde de kansen groot zijn dat de Eerste Kamer dit wetsontwerp verwerpt? Het is dus gisteren duidelijk gebleken uit deze discussie, dat in deze zaal heeft rondgewaard een vreemde schim, vreemd aan deze Vergadering op zich zelf, en die zijn eigenlijken zetel heeft aan den overkant."

Omdat de linkse partijen (liberalen, vrijzinnig-democraten en sociaaldemocraten) zich tegen het amendement keerden en uiteindelijk ook de ARP geen steun toezegde, trok Van Wijnbergen het amendement in. Het wetsvoorstel werd vervolgens ongewijzigd door de Tweede Kamer aanvaard. Links was vóór, rechts tegen.

Drie maanden later verwierp de Eerste Kamer het wetsvoorstel ('rechts' tegen 'links'). De vrees van Ort was bewaarheid geworden.

Minister Ort kwam nu met een nieuw wetsvoorstel 'Tijdelijke nadere voorziening betreffende het eedsvraagstuk'. Hij koos ervoor - tot ongenoegen van 'links' - de eedsdwang voor iedereen te laten gelden, uitgezonderd voor de doopsgezinden. Een amendement-De Geer bracht dit keer wel een oplossing. Dit amendement voerde de mogelijkheid in een schriftelijke verklaring bij de rechter in te dienen over onoverkomelijke bezwaren tegen eedaflegging; de gewetensbezwaren moesten zijn ontleend aan opvattingen van de betrokkene over de godsdienst. De akte die hierover werd opgesteld, moest door de rechter worden beoordeeld. Dit compromis werd aanvaard.

Het wetsvoorstel kwam door de Tweede Kamer en op 27 april 1916 stemde ook de Eerste Kamer met 33 tegen 10 in met de nieuwe regels over de eed. De onzichtbare invloed had zich doen gevoelen.